Tenenkrommende vroomheid of gepaste afstand?
Ik las een interview dat mij kromme tenen bezorgde. Niet vanwege de geïnterviewde, maar vanwege de manier waarop ‘kerk’ en ‘wereld’ tegenover elkaar werden gezet door de redactie. Dat ongemak kleeft niet aan dit interview alleen, maar aan een breder, ouder dilemma dat telkens weer zijn akelige kop opsteekt. Ook in mijn leven. Hoe verhoudt een gelovige zich tot de wereld? Waar is de balans tussen vereenzelviging en demoniseren?
Ik kwam, op mijn twintigste, nogal radicaal tot geloof vanuit de 'boze enge wereld'. Door gelovigen werd ik gewaarschuwd mij niet langer te begeven in kroegen en discotheken, omdat ik dan weleens terug zou kunnen glijden naar de brede weg die naar de verwoesting leidt. Gek genoeg waren het juist de mensen in diezelfde kroeg die ontzettend nieuwsgierig waren naar mijn geloof en die mijn nieuwverworven wijsheden opzogen als een spons in warm water.
In de Ierse republiek, waar ik namens ECM vijf mooie jaren verbleef, was de pub de plek om contacten op te doen. Ik vertoefde er regelmatig met een goede Christelijke vriend. We raakten daar in gesprek met Nigel, een zelfstandig ondernemer. Hij wist dat we christen waren en met een Guinness aan zijn lip durfde hij ons te bevragen op ons geloof. Een week later zaten we bij hem thuis aan tafel, samen met zijn vrouw en mochten we delen over de hoop die ons is.
Het frappante wil dat toen ik dit besprak met een andere gelovige, uit een ander gezindte, dat die zijn neus ophaalde bij het idee dat een christen überhaupt de kroegdrempel durfde over te steken. Was ik een losbol of zijn vroomheid tenenkrommend?
Het is een hardnekkig patroon, een onhandige reflex van christenen aan evangelische en reformatorische weerzijden van het spectrum. Zodra iemand vanuit een niet-kerkelijke context zijn weg zoekt richting geloof, ontstaat er spanning en paniek. Niet zozeer bij die persoon zelf — die vaak juist open, zoekend en kwetsbaar is — maar bij de kerkelijke haviksogen die erop gericht worden. De wereld waaruit hij of zij komt, wordt al snel neergezet als donker, gevaarlijk en moreel besmet. Alsof sommige sectoren, beroepen of culturele uitingen per definitie onverenigbaar zijn met toewijding aan Christus! Ik krijg wel eens het idee dat sommige van mijn broers en zussen het liefst Schiermonnikoog zouden opkopen om daar veilig met z’n allen te wachten tot het allemaal voorbij is. Samen op de kerkbanken staan en dan door de glas-in-lood-ramen spieken of Jezus komst nabij is. Alsof het gevaar van buiten komt en niet vanbinnen.
Ik krijg wel eens het idee dat sommige van mijn broers en zussen het liefst Schiermonnikoog zouden opkopen om daar veilig met z’n allen te wachten tot het allemaal voorbij is. Samen op de kerkbanken staan en dan door glas-en-lood ramen spieken of Jezus komst nabij is. Alsof het gevaar van buiten komt en niet vanbinnen.
Dit zwart-witdenken doet namelijk iets heel raars. Het wekt de indruk dat zonde vooral daarbuiten op ons jaagt, in luidruchtige omgevingen, zichtbare uitspattingen en expliciete vormen van genot. Ondertussen blijven subtielere, sociaal geaccepteerde vormen van hedonisme en zonde vaak buiten schot. Wie scherp oordeelt over de zichtbare zonden van ‘de wereld’, maar stekeblind blijft voor de eigen blinde vlekken links of rechts van het spectrum, begeeft zich op gevaarlijk terrein.
De opdracht om het Evangelie te delen met alle mensen veronderstelt nabijheid. Onze ECM Nederland directeur, Peter Wierenga, nam vorige maand een groep dominees en betrokkenen van kerken uit Spakenburg op sleeptouw naar Noordoost-Duitsland waar veel van onze werkers die nabijheid belichamen. Daar werd ons allen opnieuw duidelijk dat er vele generaties zijn die vergeten zijn dat ze God vergeten zijn. Het idee dat er een God zou bestaan is voor veel Europeanen een gepasseerd station. De afstand tussen kerk en wereld lijkt daar onoverbrugbaar. Zeker als je alleen in programma’s, activiteiten en tijdlijnen kunt denken.
Wat daar wél werkt is nabijheid en wederkerigheid. Het was Johannes die vanuit de woestijn bleef roepen, maar Jezus die onze huid aantrok en onder ons kwam wonen. Wij moeten, gelijk Hem, weer onder de mensen verblijven. 275 ECM-zendelingen doen dat in heel Europa en we zien opmerkelijk veel mensen die daardoor Christus leren kennen en zich laten dopen. Niet omdat er iemand met het vingertje waarschuwt tegen een drinkgelag, uitbundigheid of extern hedonisme, maar omdat volgelingen van Jezus nabijkomen en hun licht laten schijnen vanaf de andere kant van het glas-in-lood.
Wie zich bij voorbaat terugtrekt uit bepaalde werelden, mist de kans om daar ook iets te brengen. En wie wél midden in zulke werelden staat en daar tastend, zoekend zijn geloof vormgeeft, verdient niet ons wantrouwen, maar ons gebed en geduld. Bekering is geen eindstation, maar een begin. Geloof is geen kant-en-klaar pakket dat iemand bij binnenkomst ontvangt, maar een proces van groei, vallen en opstaan. Niemand is vandaag al wie hij over vijf jaar zal zijn, maar is ook niet meer wie hij was toen hij tot bekering kwam.
Laten we God dan ook niet voor de voeten gaan lopen met de evangelische en reformatorische ‘mallen’ waar we jongbekeerlingen in willen drukken. Gun ze het proces van heiliging en de wetenschap dat ze een werk in uitvoering zijn. Haal ze niet te snel van de plekken waarin ze wel eens uitbundig tot zegen zouden kunnen zijn. Laten we van de kerkbanken komen, het glas-in-lood laten voor wat het is en de boot naar het vaste land nemen en doen als Jezus. Daar drink ik alvast op, uiteraard met mate.
Steun ECM in haar missie om Europa bekend te maken met Jezus. Doneer via onderstaande knop: